Inheemse planten zijn planten die van nature in Nederland voorkomen, zoals wilde marjolein, grasklokje, akelei, meidoorn en Gelderse roos. Ze zijn belangrijk omdat veel van onze insecten, en daarmee vogels, juist op deze planten zijn ingesteld. Een tuin met een flink deel inheemse soorten levert meer leven op dan een tuin vol exoten, en hoeft er niet wilder uit te zien.
Je hoeft je tuin niet om te gooien. Begin met inheemse soorten op de plekken waar je toch iets nieuws plant, en kies per standplaats wat er van nature hoort.
Wat is inheems precies?
Grofweg noem je een plant inheems als hij hier van nature voorkomt, zonder dat mensen hem bewust hebben ingevoerd. Soorten die lang geleden met de landbouw zijn meegekomen en zich hebben gevestigd, zoals veel akkerbloemen, worden meestal ook tot de wilde flora gerekend. Recente nieuwkomers uit tuinen, zoals de vlinderstruik of reuzenbalsemien, niet.
Inheems is niet hetzelfde als goed voor een kleine tuin. Een sleedoorn vormt wortelopslag, hondsroos en meidoorn hebben stevige doorns en brandnetel en haagwinde staan bij weinig mensen op het verlanglijstje. Je kiest dus nog steeds met verstand.
Waarom inheemse planten?
- Specialisten: een deel van de wilde bijen haalt stuifmeel van één plantenfamilie. Klokjesbijen zijn bijvoorbeeld aangewezen op klokjes, zoals het grasklokje. Zonder die planten verdwijnt de bij.
- Rupsen: veel vlinders en nachtvlinders leggen hun eitjes alleen op inheemse planten. Meer daarover in een vlindertuin maken.
- Vogels: inheemse struiken dragen insecten in het voorjaar en bessen in de herfst, precies wanneer vogels ze nodig hebben.
- Aangepast: ze kunnen tegen ons klimaat, natte winters en vaak ook droge zomers, mits ze op de goede plek staan.
Eerlijk is eerlijk: niet elke uitheemse plant is nutteloos. Lavendel, kattenkruid en zonnehoed trekken veel bijen en vlinders voor nectar. Maar als waardplant voor rupsen of voor gespecialiseerde bijen schieten ze vaak tekort. Een mix werkt prima, met inheemse soorten als ruggengraat.
Inheemse planten per standplaats
Kijk eerst waar je plant: hoeveel uur zon, hoe nat of droog, en welke grond. Planten die op de goede plek staan, hebben weinig verzorging nodig.
| Standplaats | Vaste planten en tweejarigen | Bijzonderheid |
|---|---|---|
| Zon, droog tot normaal | Wilde marjolein (Origanum vulgare), slangenkruid (Echium vulgare), grasklokje (Campanula rotundifolia), margriet (Leucanthemum vulgare), knoopkruid (Centaurea jacea), beemdkroon (Knautia arvensis), rolklaver (Lotus corniculatus), muskuskaasjeskruid (Malva moschata), echt walstro (Galium verum) | Houden van schrale grond; niet bemesten |
| Halfschaduw | Akelei (Aquilegia vulgaris), dagkoekoeksbloem (Silene dioica), kruipend zenegroen (Ajuga reptans), vingerhoedskruid (Digitalis purpurea), salomonszegel (Polygonatum multiflorum) | Vingerhoedskruid is giftig; let op bij jonge kinderen |
| Schaduw | Lievevrouwebedstro (Galium odoratum), bosanemoon (Anemone nemorosa), daslook (Allium ursinum), mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas) | Onder bomen en struiken; bladlaag laten liggen |
| Nat tot vochtig | Grote kattenstaart (Lythrum salicaria), moerasspirea (Filipendula ulmaria), koninginnekruid (Eupatorium cannabinum), echte valeriaan (Valeriana officinalis), pinksterbloem (Cardamine pratensis), dotterbloem (Caltha palustris) | Langs een vijver of in een regentuin |
Voor een plek die af en toe onder water staat, zie regentuin aanleggen. Meer schaduwplanten, inheems en uitheems, vind je bij vaste planten voor de schaduw.
Inheemse struiken en hagen
| Struik | Bloei / vrucht | Let op |
|---|---|---|
| Sleedoorn (Prunus spinosa) | Witte bloei in maart–april, blauwe bessen | Doorns en wortelopslag; geschikt voor een gemengde haag |
| Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) | Witte bloei in mei, rode bessen | Doorns; goed te snoeien als haag |
| Gelderse roos (Viburnum opulus) | Witte schermen in mei–juni, rode bessen | Verdraagt vochtige grond |
| Hondsroos (Rosa canina) | Roze bloemen in juni, rozenbottels | Groeit groot en breed, stekelig |
| Wilde liguster (Ligustrum vulgare) | Witte bloei, zwarte bessen | Halfwintergroen, vormt goede haag |
| Hazelaar (Corylus avellana) | Katjes in februari, noten | Vroege stuifmeelbron |
| Sporkehout (Frangula alnus) | Lange bloei, bessen | Waardplant voor de citroenvlinder |
Snoei een gemengde haag van deze struiken niet te vaak. Wie elk jaar strak knipt, knipt de bloei en bessen weg. Hoe en wanneer je dat het best doet, lees je bij heg snoeien.
En cultivars dan?
In het tuincentrum vind je vooral gekweekte vormen van inheemse planten: akeleien in alle kleuren, roze margrieten, rode Gelderse roos met grote bollen. Zijn die net zo goed?
- Gevulde bloemen: meestal niet. Bij dubbele bloemen zijn meeldraden omgevormd tot extra kroonbladen, waardoor er weinig of geen stuifmeel en nectar te halen valt. De Gelderse roos met sneeuwbalvormige bloemen (‘Roseum’) draagt bijvoorbeeld geen bessen.
- Enkelbloemige vormen met een andere kleur of compactere groei worden in de praktijk vaak gewoon bezocht. Ze zijn een prima compromis in een kleine tuin.
- Bladkleur: bij planten met paars of bont blad is minder bekend hoe rupsen erop reageren. Kies voor waardplanten liever de wilde vorm.
- Kruisen: akeleien kruisen onderling. Zet je wilde akelei naast gekleurde soorten, dan krijg je na een paar jaar mengvormen.
Wil je echt de wilde soort, zoek dan een kweker die wilde planten verkoopt. Sommigen bieden ook autochtoon plantmateriaal aan: planten waarvan het zaad oorspronkelijk uit Nederlandse wilde populaties komt. Haal nooit planten of bollen uit de natuur.
Stappenplan: inheemse planten in je tuin
- Breng je tuin in kaart: zon, schaduw, natte en droge plekken, en je grondsoort (zand, klei, veen).
- Kies per plek drie tot vijf soorten uit de tabellen hierboven.
- Bereid de grond voor zonder kunstmest. Planten van schrale grond, zoals wilde marjolein en slangenkruid, worden op rijke grond slap en worden verdrongen.
- Plant in het voor- of najaar in groepjes; najaar is meestal beter, dan wortelen ze voor de droge zomer. Wildbloemen kun je ook zaaien op kale grond.
- Vervang uitheemse struiken pas als ze toch vervangen moeten worden, door een inheemse struik of een gemengde haag.
- Laat uitbloeien: zaadhoofden en stengels laten staan tot het voorjaar. Veel soorten zaaien zich dan zelf uit.
Tip: Begin klein met een vierkante meter wilde marjolein, grasklokje en knoopkruid op het zonnigste plekje. Na één zomer zie je vaak al meer soorten bijen en zweefvliegen dan in de rest van de tuin. Welke bijen op welke planten afkomen, lees je bij bijvriendelijke tuin.
Veelgestelde vragen
Is een inheemse tuin rommelig?
Dat hoeft niet. Je kunt inheemse planten net zo strak gebruiken als andere vaste planten, in groepen en met een nette rand of gemaaid pad. Wel laat je in de herfst meer staan, maar dat geeft in de winter ook mooie silhouetten met rijp.
Zijn inheemse planten makkelijker in onderhoud?
Op de goede plek wel: ze zijn gewend aan ons klimaat en hebben geen extra mest nodig. Op de verkeerde plek of op te voedzame grond doen ze het juist slecht. Sommige soorten zaaien zich flink uit, dus af en toe wieden blijft nodig.
Waar koop ik inheemse planten?
Bij kwekerijen die gespecialiseerd zijn in wilde planten, en steeds vaker ook bij gewone kwekers. Let op de wetenschappelijke naam, zodat je de wilde soort krijgt en geen gevulde of sterk afwijkende cultivar. Planten uit de natuur halen doe je niet.
Zijn uitheemse planten slecht voor de natuur?
Niet per definitie. Veel uitheemse tuinplanten zijn een goede nectarbron. Een klein aantal soorten verspreidt zich echter in de natuur en verdringt daar wilde planten. Een mix met een flink aandeel inheemse soorten geeft de meeste dieren iets te eten.


